De Wandelaar - Een kerstvertelling door Johny Lenaerts

PDF versionSend to friendPrinter-friendly version

Ik was op weg naar het biljartlokaal waar ik, zoals elke zaterdagnamiddag, een aantal generatiegenoten zou treffen en we wat zouden knorren over het politieke bedrijf en we collectief zouden aftellen tot ons pensioen, toen mijn aandacht getrokken werd door een zwarte inscriptie op de brug boven de spoorweg: ‘Het is nooit te laat om te deserteren!’

 

  De minister-president had voor de komende twaalf maanden honderdduizend bijkomende werklozen voorspeld, en net op de dag dat duizenden mensen hun werk verloren omdat hun bedrijf de deuren sloot, stak de minister van economie een vermanende vinger omhoog en bezweerde hij ‘dat we met z’n allen langer zullen moeten blijven werken’. De plannen om de pensioenleeftijd op te trekken liggen al in de la.

 

Het is nooit te laat om te deserteren!’ Het klonk als een aangename lokroep na in mijn oren. Maar wat bedoelde men ermee? Ik zette mijn wekelijkse wandeling verder en merkte toen op een paal langs de weg een kleine sticker geplakt, niet groter dan de palm van mijn hand, met de tekst:

‘U hebt gewerkt.
U hebt zich vergist.
Dat is niet erg.
U hebt nog een tweede kans.
Vandaag komt u op straat om uw pensioen op zestig jaar te kunnen houden.
U wilt niet langer werken.
U hebt reeds gewerkt.
U hebt gewacht tot het voorbij zou zijn.
Eindelijk is het zo ver.’
 
Ik liet de tekst nog op me inwerken toen ik even verder op de achterkant van een verkeersbord een nieuwe, gelijkaardige sticker vond, dat er een vervolg op leek:
‘Als u momenteel naar de zestig gaat,
dan was u in 1968 bijna twintig.
U hebt gezien, u hebt geweten, dat een andere wereld mogelijk was
dan deze die we, met uw medewerking, gekend hebben.
U bent het vergeten,
u hebt gedaan alsof u het vergeten was.
U hebt gedaan alsof werken belangrijk was,
alsof het uit te houden was,
alsof het interessant of gewoonweg menselijk was.
De generaties die er na u gekomen zijn hebben uw gelatenheid nagebootst, en, nóg belachelijker: uw enthousiasme.’
 
Was ik vergeten dat ik in 1968 zestien was? Neen, helemaal niet! Gans mijn leven heb ik er een vrolijke herinnering aan bewaard. Als alle jongeren van mijn generatie deelde ik in de roes van de vrijheid, van de blijheid. Maar toen mijn geliefde zwanger werd klopte de realiteit op de deur en moest ik werk zoeken. Ik huwde, we kregen kinderen, en we scheidden. Tja, zo is het leven!
 
Even verder stond er weer een sticker. Ik zou toch niet te zeer opvallen als ik erbij bleef stilstaan om de tekst te lezen? Dit is wat er stond:
‘Er wordt u nu een tweede kans gegeven.
U weet tot op uw derde vel dat u niet meer wilt werken.
Dat u uiteindelijk enkel maar gewerkt hebt omdat u daartoe verplicht was,
en dat u zich illusies gemaakt hebt.
Laat uw illusies achter u, mocht u er nog hebben.
Het wordt tijd.
U hebt er de middelen voor.
Op zestig jaar bent u nog niet helemaal versleten.
De regering, de heersers, doet dit schrikken.
Ze zouden u nog vijf jaar – of langer – in hun greep willen houden,
totdat u helemaal leeggezogen bent.
Waarna men u compleet in de steek zal laten.’
 
Ja, het is waar: helemaal versleten ben ik nog niet. Tijdens de vakantie kan ik moeiteloos een wandeling van twintig kilometer aan. Een caravan in de Ardennen is altijd al mijn droom geweest. Ja, nu heb ik er de middelen voor. Wat houdt me tegen?
 
Maar de les in levensleer was nog niet voorbij. Even verder zou ik weer een sticker aantreffen, er leek geen einde aan te komen.
‘De heersers van deze maatschappij vrezen u.
Ze zijn ervoor bang dat u, zolang u nog leeft, zou deserteren.
U hebt er de middelen toe.
Misschien méér dan toen u twintig was.
U hebt de middelen om te deserteren,
u kunt zich losmaken van een maatschappelijke orde die u uitgezogen heeft.
Deserteren wil zeggen:
de voorwaarden creëren om tot ontplooiing te komen
onder minder verminkte verhoudingen
dan onder het commando van de arbeid
(een toenemende vijandigheid, een systematisch onbegrip tussen mannen en vrouwen, een gebrek aan gemeenschapsgevoel en echte vriendschap, een toename van geweld, van waanzin, van miserie, enzovoorts).’
 
Neen, uitgezogen heeft men mij niet: ik werd geknakt! Welke verplichtingen heb ik nog tegenover een orde die de mijne niet is, nooit geweest is? Heb ik al niet meer dan genoeg gedaan?
 
Toen ik zo in gepeins verzonken stond, merkte ik plots een jongeman die me met een bijzondere aandacht in zich opnam. En ik besefte: dit is de auteur van de kleine teksten. Toen hij merkte dat ik hem herkend had liep hij de nabijgelegen bakkerij binnen. Ik besloot achter hem aan te gaan. Ik stond aan het eind van de rij mijn beurt af te wachten, en daardoor had ik alle tijd om hem van dichtbij te bekijken. Het was een uit de kuiten gegroeide jongen, nog niet volwassen, met slungelige armen en een ernstige blik, helemaal geen opvallend voorkomen. Hij bestelde een brood en toen hij ermee naar buiten stapte, besloot ik achter hem aan te gaan.
‘Jongeman, je hebt gezien dat ik je teksten gelezen heb. Wat bezielt je daarmee?’
Na me enkele seconden zwijgzaam aangekeken te hebben, antwoordde de jongen: ‘Ik had liever gewild dat ik ze niet hoefde te schrijven.’
‘Je lijkt me erg artistiek begaafd.’
‘Als u dit als kunst opvat dan ben ik mislukt.’
‘Nee, zo bedoel ik het niet. Je weet de nagel op de kop te slaan.’
‘Ik wil woorden die niet huilen, die hun walg niet uitspuwen.’
‘Zou je niet liever voor de krant willen schrijven, of op de tv je zaak bepleiten?’
‘We willen de kunst verwerven om volkomen anoniem te worden, om volkomen conformistisch te lijken. Als je de smoel bekijkt van degenen die in de maatschappij iets betekenen, dan kun je je de vreugde voorstellen om niemand te zijn.’
‘Je hoort tot een groepering. Met hoevelen zijn jullie?’
‘Een groepering…? Ik weet het niet. Soms zijn we met twee, soms met twintig. En plotseling blijken we met honderdduizend te zijn.’
‘Is het gevaarlijk?’
‘Ja, en het is mooi. Overigens, wat ongevaarlijk is heeft ook geen waardigheid.’
‘Je strijdt en je hebt geen schrik?’
‘Ik strijd en ik heb geen schrik.’
‘En je gaat winnen?’
‘Hoezo: winnen?’
‘Wat drijft je dan bij dit alles?’
De jongen keek me ernstig aan. Hij zette een stap naar voren, en op gedempte toon beet hij me toe: ‘France Télécom. Heb je daar al van gehoord? Mijn vader was één van hen!’
En met deze woorden verdween hij in de massa.
 
France Télécom lag nog vers in mijn geheugen. Op minder dan anderhalf jaar tijd hadden vijfentwintig werknemers er zich het leven genomen. De publieke opinie stond perplex. Waarom zo’n groot onbehagen in een beursgenoteerd bedrijf, in een sector met toekomst – mobiele telefoon, internet -, en waarin meer dan tweederde van de werknemers werkzekerheid geniet? Het bedrijf bleek al jaren in herstructurering te zijn en de bedrijfsleiding verplaatste haar personeelsleden als waren het pionnen op een schaakbord. Zonder acht te slaan op sociale of familiale bekommernissen. De werknemer bleek in een steeds groter isolement terecht te komen, van sociale banden bleef niet veel meer over, en stress leek van iedereen bezit te nemen. De factor arbeid bleek de grote vergetene van de crisis te zijn. Er waren mensen die eraan stierven.
 
Ik kon het me levendig voorstellen. Hoeveel collega’s waren er op mijn werk niet weggerationaliseerd, anderen naar een uithoek van het land verplaatst. En wat stond er ons nog te wachten?
 
Toen ik me een week later opnieuw naar mijn biljartlokaal begaf, werd mijn oog andermaal getroffen door een kleine sticker. Deze stond er vorige week nog niet. De jongen had blijkbaar zijn strijd nog niet opgegeven. Dit is wat er stond:
‘U hebt een laatste kans om uzelf niet te verraden,
om eindelijk te kunnen leven.
Dat bestaat erin het schip te verlaten.
In zeker opzicht is dit onze laatste kans.
Een wereld die ten onder gaat
wil er zeker van zijn dat ze niet alleen ten onder gaat.
Ze wil u meesleuren in haar val in de afgrond.
Ze is tot alles bereid om elke maatschappelijke afscheiding
te belemmeren en onmogelijk te maken.
Het is nochtans het enige avontuur dat waard is beleefd te worden
en dat – momenteel – nog mogelijk is.
De chaos zal onze algemene staking zijn.’
 
Wie durft in deze tijd het woord avontuur nog in de mond te nemen? Ben ik daar niet te oud voor? Dat is iets voor jongelui als deze jongen. Zou hij niet beter zijn eigen avontuur ter hand nemen in plaats van anderen tot avontuur – en chaos! kijk eens aan! – aan te sporen?
 
Net toen deze overdenkingen in me opkwamen, zag ik zijn schim in de verte de Wereldwinkel binnenglippen. Ik besloot hem aan de uitgang op te wachten. Het duurde niet lang, of hij kwam met een gevulde tas naar buiten. Hij had me onmiddellijk opgemerkt, keek geërgerd, en stootte een onduidelijk ‘U alweer!’ uit.
‘Wil je me nog één vraag beantwoorden?’ vroeg ik hem. ‘Als je er dergelijke ideeën op nahoudt, waarom heb je me dan in vertrouwen willen nemen?’
Hij keek me met die eeuwige ernstige ogen van hem aan en fluisterde haast toen hij me zei: ‘U had mijn vader kunnen zijn.’
Daarop verdween hij andermaal in de menigte voorbijgangers.
Ik zou hem niet meer terugzien.
Dit gebeurde kort vóór Kerstmis van het jaar 2009.

 

 
 

 

De teksten van de jongen, alsook enige van zijn uitspraken, komen uit: Tiqqun, ‘Tout a failli, vive le communisme!’, La Fabrique éditions, Paris, 2009. Vertaling: Johny Lenaerts.