Reply to comment

Over dingen die voorbij gaan - Rutger Groot Wassink

PDF versionSend to friendPrinter-friendly version

Hij wist niet hoe vaak in zijn leven hij al dit soort debatten had bezocht. Honderden keren moesten het geweest zijn. Maar met de jaren steeds minder. Ze werden goddank ook minder georganiseerd. Misschien kregen de mensen langzaam door dat al dat gelul nauwelijks een doel diende. Dat het louter ritueel en symboliek was. Aanwezigheid als bewijs aan een ander dat het je kon schelen. Als bewijs dat je aan de goede kant stond. Dat je deugde. Hij zou er zijn vanavond, zoals altijd. Hij moest zich laten gelden. Niet dat hij echt zin had. Oh nee, het liefst was hij thuis gebleven. Hoe ouder hij werd, hoe meer genoegen hij er in schepte zijn avonden drinkend en rokend door te brengen. Versteend als het ware – maar dan zonder dope - simpelweg tevreden met de overzichtelijkheid van zijn handelingen. Blikje bier, sjekkie, blikje bier. De orde der dingen. Het was niet zo dat hij op dergelijke momenten door GROTE DIEPZINNIGE GEDACHTEN werd overvallen. Allerminst zelfs. Hij was op zo’n moment volmaakt gelukkig met de fysieke beperktheid van de ruimte waarin hij zich bevond en zijn centrale plek daarin. Al dan niet voor de tv. Maar vanavond dus niet. Of na afloop misschien.

Terwijl hij z’n sjekkie uitdrukte rustte zijn blik een fractie van een seconde op de brief van de notaris die nog steeds ongeopend bovenop de stapel in het bakje met ongeopende post lag. Hij wist wat er in stond. Hij wist dat zijn moeder hem een aanzienlijk bedrag had nagelaten. Dat had die gluiperd van een notaris hem immers zelf verteld. Tijdens de broodjes was hij naar hem toegekomen. Dat ze binnenkort af moesten spreken om het ‘rond te maken’, wat dat ook mocht betekenen. Dat het tragisch was maar dat dingen voorbijgaan en dat zijn moeder goed aan hem had gedacht. Dat zei hem niets. Al was hij benieuwd naar het precieze bedrag. Met de verkoop van het huis zou dat aardig kunnen oplopen. De aanblik van zijn moeder in de half geopende kist had hem goed gedaan. Niet eens zozeer omdat ‘t wijf nu eindelijk dood was, nee, veel eerder omdat hij het echt fijn vond haar na al die jaren weer eens te zien. Zo slecht zag ze er niet uit voor een lijk. Hoe lang was het geleden? Vijf jaar? Zeven? Dat het bij de crematie van zijn vader was, wist hij in elk geval zeker maar jaartallen en data gingen hem steeds moeilijker af. Ook hij werd oud.
Vanavond was er dus een debat over wonen in zijn wijk. In ZIJN Baarsjes. Niet gaan was geen optie, de vesting moest verdedigd. Dat was zo ongeveer de laatste toewijding die hem nog restte. Maar hij had nog even. En dus trok hij een blikje bier open van het Dirk huismerk. Nooit Heineken. Dat stond hij zichzelf niet toe. Die zitten in Birma of Myanmar of hoe dat ook heet. Heineken was het grootkapitaal en als ex-kraker en beroepsactivist wenste hij zich daar niet mee te afficheren. Smaak vond hij sowieso een overschat fenomeen.

Principes zijn ook bevredigend, zo had hij gemerkt. Een debat dus over wonen. Zelden was een onderwerp zo aan erosie onderhevig. Was wonen en woningnood vroeger onderwerp nummer één onder zijn soort, nu was de radicaliteit in de discussie ver te zoeken. Te veel mensen hadden te veel geld en te veel wensen. Dat was vroeger wel anders. Zijn komst in de Baarsjes viel samen met het begin van de glorietijd van de Amsterdamse kraakscene. God wat had hij een geluk gehad. Juiste moment, juiste plek, bla bla. Kraken was in zijn wijk nooit echt doorgebroken. In Westerpark waren ze met meer, veel beter georganiseerd en veel verder. Niet dat hij ooit had overwogen daar iets te kraken. Juist niet. Hij keek wel uit. Dat zou een garantie op grijsheid zijn geweest. Daar was de groep te groot en de mogelijkheden dus te klein. Nu had hij zich in de Baarsjes kunnen onderscheiden en was hij vrij snel opgeklommen tot krakersopperhoofd. Als het loos ging in de Staatsliedenbuurt en de Baarsjesgroep onder zijn leiding te hulp schoot behandelden de buurtbaronnen van de Staats hem als een gelijke. Mooie tijd was dat. Echt leven! Maar kraken was dood. Ondanks het geschreeuw tegenwoordig dat kraken doorging. ‘Doorging waarmee?’ vroeg hij zich af. Ze waren dood en begraven zonder dat ze het zelf beseften. De krakers van tegenwoordig, pffff, dat was toch niks. Die rijkeluiskinderen die werden opgejut door stinkend tuig uit Spanje en Italië. Wat een zielig zooitje. Je moet weten wanneer je een verloren strijd voert. En waar je kansen liggen. Daarom had hij zijn krakerscarrière al meer dan tien jaar geleden beëindigd. Het leverde niets meer op en hij voelde zich steeds ongemakkelijker bij dat jonge grut. Ze namen hem nauwelijks nog serieus. Lieten hem praten alsof hij lucht was. En iets te neuken viel er al helemaal niet meer. Dat was in ZIJN tijd wel anders. Gedurende de hoogtijdagen van zijn krakersbestaan had hij aan vrouwen nooit gebrek. Zijn aanzien maakte gewillig. Hij had een seksueel imperium opgebouwd over diverse panden door de hele stad. Van het liefst meisjes die op of onder de rafelrand leefden. Dat was makkelijker en bevredigender dan van die assertieve types. Daar kwam je moeilijker aan en nog veel moeilijker van af.

Hij huurde nu netjes. Voor bespottelijk weinig geld. Een huis waar hij bovendien ook nog eens huurtoeslag voor kreeg. Hij had er nooit moeite mee gehad de toegestoken hand van de staat te pakken. Integendeel zelfs. Eigenlijk was het accepteren van een uitkering of een toeslag welhaast een revolutionaire daad. Hoe meer de staat werd leeggezogen hoe eerder de ineenstorting van het systeem nabij was. En zonder daar nu duidelijke ideeën over te hebben was dat nog steeds iets waarvan hij zichzelf wijsmaakte er rotsvast in te geloven. ‘FREEDOM LIVES WHEN THE STATE DIES’ had iemand met kapitalen op een brug bij het Haarlemmerplein geschilderd. En zo is het, dacht hij. Zo is het nog steeds. Voor hem was het middel veranderd, niet het doel. Niet langer kraken, dat ging niet meer. Nu was hij van Offensief, de revolutionaire tak van de SP en van Rode Morgen. In deze organisaties had hij zichzelf terug- of heruitgevonden misschien wel. In ieder geval wist hij weer wat goed was. Kon hij meepraten en iets van zijn verloren terrein heroveren. De marginaliteit van de clubjes stoorde hem allerminst. Hij had nog steeds gelijk. En dat was wat telde. Het roer moest radicaal om. En als je iets doet dan kun je ’t ook maar beter goed doen. Met de jaren was zijn geloof in de noodzakelijkheid van de revolutie allerminst afgenomen. Hoewel de glorieze dag verder weg leek dan ooit.

Als de revolutie vroeger op een feestje bediscussieerd werd hoestte hij in een pavlovreactie een slogan van Bakoenin: ‘Alles wat de triomf van de revolutie bevorderd is zedelijk, alles wat haar hindert is immoreel en misdadig’. Zijn slogans sloegen al lang niet meer aan. Ze waren als moppen die iedereen nu wel kende. Wel kon hij nog af en toe met enig succes zijn theorie over de lichamelijke aard van het links zijn kwijt. Dat de een het werd door het hoofd, de ander met het hart en de meest fanatieke met de maag. Hij liet wijselijk weg dat hij links geworden was vanwege zijn kruisstreek. Net als dat hij dit allerminst zelf verzonnen had maar ergens gelezen. Er waren niet veel feestjes meer. Zonde eigenlijk. Want internet bood juist zo veel mogelijkheden om over van alles en nog wat mee te praten. Een paar uurtjes googlen en je was weer helemaal bij en klaar voor de avond. Nooit was het eenvoudiger geweest mensen met geleende kennis af te troeven en de mond te snoeren. Jammer dat er geen publiek meer was.

Even overwoog hij te masturberen voor hij zou gaan maar hij kon geen aanleiding tot lust bedenken. Misschien later. Misschien. Hij moest nu gaan in elk geval. Hij vond het prettig ergens te vroeg te zijn. Zodat hij kon in schatten wat hem te wachten stond. En een strategische plek kon kiezen om het overzicht te behouden. De adelaar op zijn nest. Hij deed de deur op slot en liep de trap af. Op de tweede etage hoorde hij het gekrijs van de daar wonende kinderen. Zonder precies te weten waarom, haatte hij hen intens. Hun stuitende vrolijkheid, hun vanzelfsprekende grote bek, het Riffiaanse gefluister als hij langsliep. De lofrede op de multiculturele samenleving die zijn strijdmakkers maar al te vaak hadden afgestoken was de zijne niet. En hoezeer hij ook ageerde tegen de teloorgang van het ecosysteem, in werkelijkheid deed hem dat ook geen zier. In het openbaar hield hij zich vanzelfsprekend aan de code en sprak hij zich uit voor boom en allochtoon. Diep van binnen konden ze hem gestolen worden. De wereld moest gewoon anders of ze daar nu wel of geen onderdeel van uit maakten. Wat het anders precies was daar had hij nog steeds geen idee van. Maar hij wist dat hem dat met een gerust hart kon worden toevertrouwd. Het was warm en rustig op straat. Hij liep langs de Kostverlorenvaart naar de plaats waar het gebeuren zou. Cultuurcentrum Meneer de Wit heette het tegenwoordig. Al snapte hij niet waarom want het zat niet eens aan de Witte de Withstraat.

De zaal was leeg maar alles leek klaar te staan. Tafels, stoelen, microfoons, beamer. Gelukkig was de bar bemand. Hij nam een biertje en zocht een plek. HIP HOT YUP was de naam van het debat, zo las hij op de posters die tegen het raam waren geplakt. HIP HOT YUYUP, HIPHOT YUYUP, HIPHOTYUYUP, HIPHOTYUYUP. Een verontrustend mantra. Sloganisme van een naderend onheil. Na ruim een kwartier kwamen de eerste mensen de zaal in. Overduidelijk de organisatoren. Herkenbaar aan hun fraaie jasjes, air en nonchalance. Geen zoekende, onzekere blikken zoals de meeste mensen hebben als ze op een tot dan toe onbekende plek aankomen. Al grappenmakend met wat waarschijnlijk sprekers waren stonden ze bij de bar. Wat een irritante mannetjes. Net dertig en dan al zo onaantastbaar. Met hun maniertjes en hun telefoontjes en hun zorgvuldig uitgezochte kleren. Tegen beter weten in probeerde hij zijn morele superioriteit tastbaar te maken. Als troost nog maar een bier.
De avond begon met twee voorzitters en dia’s. Van hoe het ooit geweest was. Een herberg, een polder. Gele komkommers. De beelden van ZIJN Baarsjes zonder bebouwing deden hem niets. Geen flard nostalgie wekte het in hem op. Wat was een wijk zonder mensen? Wie had iets aan deze romantiek? Na enige tijd schoven twee mensen aan op het minipodium midden in de zaal. Een man met een zwarte bril waarmee hij zichzelf tot lid van de culturele klasse definieerde en een jonge jongen die wetenschapper bleek te zijn. Het debat ging over ‘verjupping’ of beter gezegd sprak meneer de wetenschapper: ‘een verandering in klassensamenstelling van de buurt ten gunste van de midden- en hogere klasse’. Het gesprek ging over de verschuiving in bevolkingssamenstelling die hij dagelijks registreerde. De bakfietsen waren dan ook moeilijk over het hoofd te zien. De kunstenaar sprak over de rol van kunst in de verandering van de wijk. Hoe de creatieve klasse het pad voor de middengroep effende. Deze collaboratie verbaasde hem niets. Hij had altijd al diep wantrouwen tegen kunstenaars gekoesterd. Niet omdat ze een onverklaarbare aantrekkingskracht op vrouwen leken uit te oefenen. Niet omdat ze op de beslissende momenten niet wilden luisteren. Nee, omdat ze altijd meenden afwijkende ideeën en meningen te moeten hebben. Op het kinderachtige af. Meningen. Alsof de oorspronkelijkheid van een gedachte enige relevantie had. Even nuttig was het goed te luisteren naar een ander en er links van af te wijken. Dan zat je altijd goed. Volgens de wetenschapper ervoer de wijk de oprukkende middenklasse. Niet alleen drukte deze de lagere klassen uit de woningmarkt en konden zij de koop van panden financieren, in tegenstelling tot de zittende bewoners. Zorgelijker vond hij dat de wetenschapper stelde dat de middenklasse als zodanig sterk aan het groeien was. Het klonk hem als een gevaar in de oren. Als kolonisatie, imperialisme. De groeiende middenklasse als oprukkende mieren. Hoe vaak je hun holen ook met spiritus overgoot en aanstak, uitroeien lukte niet. De alsmaar uitdijende middenklasse. Hem schoot een Bijbelflard door het hoofd dat hij vroeger tig keer had gelezen. Het leek een geheim te bevatten dat hij niet doorgronden kon. MIJN NAAM IS LEGIOEN, WANT WIJ ZIJN MET VELEN.

Na verloop van tijd kon hij nauwelijks zijn aandacht nog bij het verhaal van de heren houden. Een woord bleef hangen: gentrification. Dat was dus de nieuwe naam voor het oude beleid van het wegjagen van de gewone man. Van het uitzetten, samenvoegen en verneuken. Het vernietigen van de sociale structuur. Van het breken van saamhorigheid en het economisch rendabel maken. Van de kolonisatie. Winstmaximalisatie. Met de deportatie van de onderklasse naar buiten de ring als achteloze consequentie. GENTRIFICATION, GENTRIFICATION, GENTRIFICATION. Hij kauwde het woord maar het smaakte naar niets. Morgen zou hij het opzoeken. Eerst nog maar een biertje. Bezoekers waren er ook een half uur na aanvang nauwelijks. De voorzitters schoven het maar op het mooie weer. Ze moesten toch iets. Vroeger zou dit nooit zijn gebeurd. Hij vond de magere opkomst haast een persoonlijke belediging. De afwezigheid van een kritisch publiek was, in zekere zin, zijn falen. Zijn failliet en het bewijs dat de glorie vergaan was. Hij had de uitnodiging rond gemaild. Hij had mensen haast gesmeekt om er te zijn. Deze avond had een demonstratie van zijn bevlogenheid kunnen zijn. Moeten zijn. Nu was elke inzet zinloos. Voor de tien tot vijftien bezoekers hoefde hij zich niet uit te sloven. Wat was een vurig betoog zonder publiek. Wat had je aan zaad in dorre grond?
Het tweede gedeelte van de avond bestond ook uit discussie. De wetenschapper bleef zitten en enkele anderen hesen zich op het podium. Er was iemand van GroenLinks. De beste bedoelingen spatten van zijn gezicht. Maar ook het onvermogen daar daadwerkelijk iets mee te doen. Te vriendelijk en zachtaardig. Daar win je de oorlog niet mee. Haar kende hij wel. Zij was Tweede Kamerlid voor de PvdA. Hoewel hij haar niet onaantrekkelijk vond stond hij zichzelf niet toen haar geil te vinden. Ze was te gevat, te succesvol en te, ja nu wist hij het, te middenklasse om je mee in te laten. Het was tenslotte allemaal de schuld van de sociaaldemocratie. Dat wist iedereen. Daar hoefde je niet voor gestudeerd te hebben. De derde deelnemer vertegenwoordigde de Stichting Stop Afbraak Sociale Huisvesting. Hij kende de organisatie, sympathiseerde met hen en had wel eens een bijeenkomst bijgewoond. Het enige dat hij werkelijk niet begreep of uit kon staan was dat de stichting door zulke hysterische mensen werd gerund. De spreker van vanavond was geen uitzondering. Hij zag er niet al te snugger uit en bevestigde deze inschatting volledig met zijn geneuzel. Hij kon nauwelijks fatsoenlijk uit zijn woorden komen en was in niets een waardige verdediger van DE ZAAK. Jezus, waar moest het naar toe nu de nuttige idioten steeds nuttelozer werden? Het debat kon hem niet meer boeien. Hij keek een tijdje rond en ging toen naar de bar. De avond was een ramp. Alles was mislukt. En hij wist dat hij daar zelf schuld aan had. Het programma was voorbij. De mensen kwamen zijn kant op. Hij wist dat hij hier niets te winnen had. Niemand te overtuigen. Niemand te verleiden. Niemand die ook maar acht op hem sloeg.

Toen hij buiten was liep hij zonder noodzaak naar de kade. Hij stond naast een stel vuilniscontainers toen zijn oog op een muntje viel. Hij kon het haast niet geloven maar hij had een kwartje gevonden. Hoe lang was de euro nu al ingevoerd? Een echt kwartje. Uit 1964. Dit moest een teken zijn. Hij borg het muntstuk op, draaide een sjekkie en liep naar huis. Ik moest die enveloppe maar eens open maken, dacht hij.

Reply

The content of this field is kept private and will not be shown publicly.
CAPTCHA
Even kijken of je wel menselijk bent... Anti Spam filter, sorry
Image CAPTCHA
Copy the characters (respecting upper/lower case) from the image.