- In oktober 2004 kwamen jullie met een magazine over flexibilisering en precairheid, hoe kwamen jullie daartoe?
Na wat slechte ervaringen in linkse groepen wilden we wat leukers gaan doen, en in de eerste plaats actuele sociale verhoudingen onder de loep nemen. Een van ons kwam met een voorstel voor een themablad over ‘precairheid’, een term die uit het zuiden van Europa komt, en zoiets betekent als ‘breekbaar’ of ‘kwetsbaar’. In sociale termen gaat het om bestaansonzekerheid. Daarbij denken we aan verschillende dingen: illegaliteit bijvoorbeeld, het risico werkloos te raken, woningnood, of soortgelijke situaties. Allemaal dingen die wijdverspreid zijn. Welke rol spelen deze dingen in de verschuivende relaties tussen leven en werk? Elders in Europa, met name in Frankrijk en Italie, zijn inmiddels sterke bewegingen ontstaan die ‘precairheid’ politiseren, en het conflict ermee aangaan.
Precairheid is ook een begrip om sociale verhoudingen te analyseren. Je kunt bijvoorbeeld kijken naar de horeca als economische sector. Hoewel er officieel een cao geldt, heb je in de praktijk hele andere omgangsregels, die niet gebaseerd zijn op formele regels, maar op informele machtsrelaties die niet altijd even duidelijk of openlijk zijn. Onze benadering is niet om te zeggen dit is slecht, maar eerder: vanuit hier bestaan er verschillende mogelijkheden. Wat gaan we doen? Hoe kunnen we een conflict aangaan met ‘precairheid’ op een manier die onze eigen mogelijkheden en onze autonomie vergroot?
- Jullie gebruiken naast ‘precairheid’ ook het woord flexibiliteit – zouden jullie daar een definitie van kunnen geven?
Flexibiliteit is voor ons geen negatief begrip, integendeel. In vergelijking met de jaren ’70 en de baan voor het leven, de verzorgingsstaat – dat is voor ons het ancien régime zeg maar, daar identificeren we ons niet mee. Flexibiliteit of flexibilisering is een beweging weg van de baan voor het leven en het model van de fulltime arbeider op één werkplek, de lineaire loopbaan, etcetera; flexibiliteit betekent meer circulatie en verschillende werkplekken, verschillende bezigheden, variatie. We willen die baan voor het leven ook niet meer, en velen willen ook niet per sé een fulltime baan, die willen gewoon lekker leven. 'Flexibele werktijden' was oorspronkelijk een eis die gesteld werd door de vrouwenbeweging in de jaren zeventig, die meer zeggenschap wilden over hun tijd - het was een emancipatoire eis.
Tegenwoordig roept ‘flexibiliteit’ of flexibilisering eerder associaties op met uitzendbureaus die je naaien, voortdurende sollicitaties, tijdelijke werkeloosheid en geldgebrek; flexibiliteit staat aan de kant van de werkgever en veroorzaakt bestaansonzekerheid. Je moet permanent vechten om de volgende maand je vaste lasten te kunnen betalen. Dus het is dubbel: deze betekenissen overlappen elkaar, maar ze zijn niet hetzelfde.
- De Italiaanse organisatie Chainworkers, die jullie in jullie eerste nummer interviewen spreekt over ‘flexicurity’. Een utopisch begrip?
Voor hen is dat is een sleutelbegrip. Het gaat om de combinatie van zekerheid over cruciale dingen, en tegelijkertijd flexibiliteit. Ze eisen bijvoorbeeld een Europees minimumloon van 10 euro netto per uur, en een basisinkomen. Wij als groep zijn nog niet bezig geweest met heel concrete eisen. Maar we hebben op 1 mei een actiedag gehad waarbij we een solidariteitsactie bij de Albert Heijn Food Plaza deden, en een van de eisen daar was een hoger minimumloon. Dat is op zich een goede eis, waar veel mensen zich in kunnen vinden.
- Denken jullie niet dat de uitwassen van flexibilisering aan Nederland voorbijtrekken, waardoor het probleem hier minder urgent is?
Nee volgens ons niet: het is ook in Nederland een situatie waar steeds meer mensen mee te maken hebben. Maar het heeft nog niet geleid tot een autonome beweging, binnen de vakbonden of daarbuiten. Eén oorzaak is dat het veelal gaat om nieuwe categorieën werkers, en jonge mensen: in callcenters, bijvoorbeeld, waar een enorm verloop is. Die werkers hebben niet of nauwelijks ervaring met collectieve zelforganisatie of met stakingen. Dat betekent niet dat er geen conflicten zijn, alleen nemen ze een andere vorm aan. In Nederland wordt superveel gebruik gemaakt van tijdelijke contracten. Als je geen contract hebt of alleen een nul-uren contract dan ben je ook precair. Maar er zijn verschillen tussen niveaus en vormen die het aanneemt, en op die manier vinden er ook steeds verschuivingen plaats in machtsverhoudingen.
- Denken jullie niet dat de opstelling van de vakbond in Nederland juist erger heeft voorkomen, juist doordat ze in een soort ‘neoliberale consensus’ meedachten met de werkgevers en de economische werkelijkheid?
Dat is een moeilijke vraag. Ze zijn misschien realistisch geweest, maar dat betekent dat ze grotendeels een autonoom perspectief hebben moeten opgeven. Ze zijn heel erg onderdeel geworden van alle regelgeving, en een conflictperspectief hebben ze nauwelijks nog. Maar los van de bond gaat het ook om het perspectief dat werkers zelf hebben. Je hebt er niks aan om te zeggen: de bond zou dit of dat moeten doen, en dan luidruchtig klagen dat er niks gebeurt.
Het meest pragmatische model blijft zelforganisatie door een bepaalde groep werkers tegen ellendige dingen in hun eigen situatie. Zelf eisen stellen en ervoor vechten, steun organiseren waar mogelijk en het gevecht verder brengen. Dan zie je vanzelf aan welke bond je wat hebt, en je behoudt je autonomie.
- Is de aandacht voor flexibilisering sinds het schrijven van jullie tijdschrift groter geworden?
We proberen de thematiek te introduceren, maar het is erg bescheiden tot nu toe. Als je het vergelijkt met de beweging in Frankrijk of Italië… In Frankrijk voelt de voorzitter van de werkgeversbond zich gedwongen iets te zeggen over precairheid. Die man die zei dat alles van nature precair is: “…het leven, de liefde, de prijs van de koffie. Dus waarom zou het werk een uitzondering vormen?” Het is een beetje het Gauloises-gevoel - ‘Liberté toujours!’. In Nederland is het nog niet zo’n belangrijk thema, althans het is niet gepolitiseerd. Maar de ervaring van precairheid is er al wel, daarin vormt Nederland geen uitzondering.
- We hadden het net al over Chainworkers, waarom vinden jullie die zo inspirerend?
Enerzijds hebben ze een hele scherpe kritiek op het kapitalisme - het kapitalisme van nu. Verder hebben ze een levendige stijl. Ze verzinnen actuele en nieuwe termen zoals “precariaat” – het flexproletariaat, zeg maar - en “flexicurity.” Termen om iets heel agitatief uit te drukken, maar die wel inhoud hebben. Ze combineren syndicalisme met media actie. Ook de horizontale manier van organiseren spreekt ons aan. Het Chainworkers netwerk is ontstaan uit praktijken van media-activisme en culture-jamming. Omdat deze netwerken heel mobiel en beweeglijk zijn, zijn ze ook anders dan vakbonden doordat ze op specifieke momenten kunnen zeggen: we gaan nú dit en dit doen. Een vorm van organisatie zonder centraal comité of dat soort shit, maar meer een combinatie van groepen. Leuk is ook hun website en de jaarlijkse online Mayday Parade, waarbij je zelf je soort virtuele demonstrant kan creëren, met haardrachten en kleding en huidskleur die je zelf kan kiezen.
- Hebben jullie nog andere buitenlandse inspiratoren?
Er is ook nog een groep uit Frankrijk, de Intermittents, die bestaat uit flexwerkers in de culturele industrie en die hebben ook een sterke stijl, sterke acties. De aanleiding voor die beweging was het afschaffen van de werkloosheidsuitkering die culturele werkers ontvingen in de periodes dat ze zonder werk zitten – in de culturele industrie werk je vaak bij losse klussen, dus zijn er overbruggingsperiodes dat je zonder inkomen zit. Hun organisatievorm is een soort landelijke coördinatiegroep en lokale comités. Dat ze werkers in de culturele sector zijn, betekent dat ze bepaalde technieken en communicatiestijlen beheersen. Ze hebben superveel effect gehad in Frankrijk om de beweging tegen precairheid een gezicht te geven. In Frankrijk heb je ook nog de Sans-Papiers wat een coalitie is van illegalen die papieren opeisen, eigenlijk zijn de sans-papiers de basis van de beweging daar.
- Je hebt in het buitenland ook nog vakbonden die zich flexibilisering en precairheid bezig houden, zoals de SUD (wederom in Frankrijk). Hebben jullie daar nog zicht op?
Op 1 mei hebben we een actie gedaan uit solidariteit met een Franse vakbondsactiviste, Faty Moyant, die in Parijs bij een hotel als schoonmaakster ontslagen was nadat ze met haar collega’s een staking had georganiseerd. Zij was aangesloten bij SUD, en de staking ging over het niet uitbetalen van overuren, en over de werkdruk. Momenteel is nog steeds een campagne aan de gang om te zorgen dat Accor, de hotelketen waar het om gaat, het ontslag intrekt.
We weten niet precies hoe de SUD georganiseerd zijn, maar in Frankrijk heb je wel basisbonden, net als in Italië de CUB of de COBAS, die een grassroots traditie belichamen. Dat staat ver af van de traditie van de vakbond in Nederland. Zelf neigen we meer naar het idee van een sociale beweging, coalities van verschillende bewegingen en groepen die in een concreet gevecht werkers steun bieden. Dat is aantrekkelijker dan het idee van een formele vakbond, met categorale scheidslijnen, betaalde bestuurders en dat soort dingen.
- In jullie nieuwe tijdschrift speelt de stad een centrale rol, als decor waartegen de flexibiliteit zich afspeelt. Jullie hebben het over het 'I AMsterdam' model, naar de reclame campagne van de gemeente om financieel draagkrachtige mensen naar de stad te lokken, dit brengt het nodige verzet met zich mee, waarom is dat?
Dat ‘I AMsterdam model’ is een vorm van hoe de stad geherstructureerd wordt in het belang van de economie en de eigenaars ervan. Een van de belangrijkste elementen is dat de sociale huursector wordt afgebroken en daarvoor in de plaats eigelijk alleen maar dure koop- en huurappartementen terugkomen. Burgemeester Cohen zei pas in Buitenhof dat er op de woningmarkt een tekort is aan huizen ‘voor de middenklasse.’ Nou, voor ons ook! Huizen die betaalbaar zijn voor iemand met een laag loon of een ander laag inkomen, worden schaarser, en er zijn nu al jarenlange wachtlijsten. Op deze manier wordt voor een hele grote groep mensen wonen in Amsterdam in feite onbetaalbaar. Als de wetten van Dekker van kracht worden, gaat dat een grote klap geven.
Volgens ons is het belangrijk om de context te begrijpen van dit hele ‘I AMsterdam’-fenomeen. Het is een soort van identiteitsmarketing voor de stad Amsterdam om de stad neer te zetten als een creatieve stad. Ze proberen een heel positief beeld van de stad en de mensen neer zetten, zo van: Amsterdam is een leuke stad met leuke mensen, en daar zijn we het wel mee eens maar het is allemaal niet zo harmonieus. We proberen dat merk weer in relatie te brengen met het conflict dat eigelijk onder de oppervlakte aan de gang is.
- Dat verzet komt toch eigelijk vooral uit de krakerskringen?
We zijn het oneens met het beeld dat krakers de enige Galliërs zijn die zich verzetten tegen het Romeinse Rijk. Er zijn nog allerlei andere groepen in Amsterdam, maar uiteindelijk gaat het om op welke manieren het gevecht gevoerd wordt, en verschillende groepen hebben verschillende methoden. Hoe kun je relaties leggen tussen al die dingen?
- Welke oplossingen zien jullie voor al deze dingen?
We geloven in ieder geval niet dat er oplossingen van buitenaf komen. Een schakelaartje dat ergens omgezet wordt, of een nieuw links beleid dat alles goedmaakt. Als je dat verwacht, dan reduceer je jezelf tot een schaduw van beleidsmakers en politici; wij willen ons juist baseren op onze autonomie ten opzichte daarvan, op ons vermogen om op elk moment zelf te bepalen waarvoor we vechten, en hoe. En vooral kijken wat er allemaal gebeurt op andere plekken, in andere landen.
- Zien jullie wat in een vakbond, om daar naar toe te werken?
Ja en nee. Het gaat eerder om het bouwen van een beweging die zich op een radicale manier met al die vraagstukken bezig houdt dan een vakbond in de zin van een formele organisatie die alleen met ‘werk’ te maken wil hebben.
- Zoals jullie weten is er een nieuwe vakbond opgericht, AVV, die zich specifiek richt op jongeren. Vooral omdat dit deel vrij ongeorganiseerd is en omdat, zo claimen ze, de traditionele vakbonden hen niet vertegenwoordigen. Wat is jullie indruk van dit initiatief?
We zijn er nog niet helemaal uit, maar we hebben de indruk dat ze zich niet zozeer afzetten tegen neoliberalisme en de shit waar we echt mee te maken hebben, maar meer tegen oudere werknemers en hun verworvenheden. De AVV lijkt ons een beetje een vakbond voor jonge professionals. Ze hadden een artikel in de Volkskrant waarin ze zeggen dat het prepensioen moet worden afgeschaft, waardoor zowel oudere werknemers als wijzelf langer zullen moeten werken. Waarom zouden we langer gaan werken? Wat we nodig hebben is niet méér werk, maar werk dat zinnig is, in plaats van gedwongen bullshitwerk. Je moet oppassen dat waar je op inzet niet eigenaardige parallellen gaat vertonen met het kabinetsbeleid.
Zie voor meer info:
www.euromayday.org