Een interview met Paolo Virno, auteur van onder andere A Grammar of the Multitude, deel 1.
Lees ook Wat is Autonomia?, een inleiding over de politiek-theoretische stroming waar Virno zich op baseert.
Branden W. Joseph: Je bent momenteel werkzaam als professor communicatie. Misschien kun je een korte beschrijving geven van de persoonlijke en intellectuele route die je hebt afgelegd. Hoe zie je de relatie tussen je academische werk en dat binnen autonomia?
Paolo Virno: Mijn beslissende jeugdervaring was de revolutionaire strijd in een ontwikkeld kapitalistisch land. Met de nadruk op: ontwikkeld. Een land, met andere woorden, waar het fysieke overleven gegarandeerd was, de consumptie relatief hoog, en met inmiddels een wijdverbreid hoger onderwijs. Ik participeerde niet in een opstand tegen ellende of dictatuur maar in een radicaal conflict dat het doel had die moderne vorm van barbarij af te schaffen: loonarbeid. We waren niet “thirdworldist” maar “Americanist”. Vechtend bij FIAT in Turijn dachten we aan Detroit, niet aan Cuba of Algiers. Alleen waar kapitalistische ontwikkeling zijn hoogtepunt bereikt heeft, is er de kwestie van een antikapitalistische revolutie. Op deze manier konden we ook Marx lezen zonder “Marxisme” – door Marx te lezen en hem direct in contact te brengen met de meest radicale sociale conflicten, en anderszijds deze lectuur te vervlechten met de grote auteurs van de burgerlijke moderniteit (Weber, Keynes, Nietzsche, Heidegger, etc.).
Ik zat in de groep Potere Operaio (waartoe ook Toni Negri als activist behoorde), en droeg zo veel als ik kon bij aan felle stakingen bij Fiat en de bezetting van leegstaande huizen in Rome. In 1979 werd ik tijdens de rechtszaak tegen Autonomia Operaia opgepakt – drie jaar preventieve gevangenis, een jaar huisarrest en uiteindelijk (in 1987), na een beroepsprocedure, volledige nietigverklaring van de aanklachten.
Ik heb me altijd met filosofie beziggehouden en er altijd over geschreven. Mijn prioriteit was te werken aan een niet-reductionistisch, vrij opgevat materialisme dat in staat is al dat te verklaren wat “taalkundige dieren” – mensen dus - doen, denken, verlangen.
Mijn eerste boek werd gepubliceerd in 1986 en is getiteld Convenzione e materialismo; het laatste in 2003 heet Quando il verbo si fa carne. Linguaggio e natura umana. Aan het eind van de jaren 80, was ik met anderen actief om de fundamentele eigenschappen van het “postfordisme” in kaart te brengen: het intellectuele werk van de massa’s, flexibiliteit, enzovoort. Van 1990 tot 1993 droeg ik bij aan het blad Luogo Comune, daarna aan Derive Approdi.
Wat betreft mijn werk op de universiteit, dat doe ik pas zes of zeven jaar. En ik zit nog steeds op een tijdelijk contract. Tot mijn vijfenveertigste, hoewel ik filosofieboeken schreef, deed ik alle mogelijke baantjes in de cultuurindustrie: scriptschrijver voor strips, journalist, redacteur voor uitgeverijen, enzovoort. De universiteit was een pragmatische keus, geen roeping of missie. Het stond voor de mogelijkheid van een beter salaris en meer tijd om te schrijven. Ik heb verschillende boeken gepubliceerd, het was de moeite waard. Ik heb een prijsvraag gewonnen, mijn leven is niet veranderd. Het bevalt goed.
BWJ: De jaren 60 en 70 worden gekarakteriseerd als de periode van sociaal en politiek experimenteren waar de huidige theorie een reflectie van is. Wat zijn volgens jou de belangrijkste verschillen tussen de experimenten in Europa en die in de VS? Het lijkt me dat de situatie in Italie langer radicaal en experimenteel bleef dan in de VS, die zoals jij zegt halverwege de jaren zeventig een periode van “contrarevolutie” in ging.
PV: Tijdens de jaren 60 en 70 had de counterculture veel invloed in de VS en een sterke neiging tot afscheiding, tot de constructie van fragmenten van een alternatieve maatschappij. En natuurlijk was er de politieke opkomst van verschillende “minderheden.” De grote gevechten rond werk van de jaren 60 hadden een kleine zichtbaarheid, zeker voor Europeanen, en hoe dan ook hadden ze niet het vermogen om het ensemble van de bewegingen te verenigen. Terugblikkend lijkt het nu dat de decennia 60-70 in de VS de epoche was toen de moderne multitude zich opwierp: niet langer een verenigd volk maar een pluraliteit van heterogene subjecten, trots op hun specificiteit, die zich verzet tegen een eenstemmige synthese.
In Italië daarentegen, draaide van het begin van de jaren 60 tot het eind van de jaren 70 alles om de gevechten van jonge, ongeschoolde, mobiele werkers die een pesthekel hadden aan hun baan en aan de fabriek. De gevechten van deze werkers die buiten de bonden omgingen, waren het bindende weefsel van alle conflicten. Zelfs feminisme (althans in het begin), zelfs dokters, de precaire professoren in de universiteit en schaapherders op Sardinië hadden dit referentiepunt van “de grote wanorde” in de fabrieken. Waar dat vandaan kwam is niet uit een arbeidsidentiteit met alle waarden en tradities die daarbij horen, maar integendeel, uit haat tegenover de werkomstandigheden, en met de bedoeling om een eind te maken aan arbeidskracht als commodity [commodity labor-power].
De officiële Italiaanse arbeidersbeweging (de PCI en de vakbonden) hadden altijd wantrouwend gekeken naar de arbeidsconflicten in de VS en ze nooit begrepen. Om een goede reden: het was omdat ze aan de arbeiders, zelfs de ongeschoolde in de Fordistische fabrieken, de taak toeschreven om het “algemeen belang” te verdedigen (van het land, van de economie, enzovoort). Toen ze geconfronteerd werden met de “egoïstische” ongehoorzaamheid van de werkers in Detroit, die gericht was op hun eigen materiele belangen, waren ze diep geschokt. Jonge Italiaanse werkers waren in die jaren zelf hard bezig om ook “egoïsten” te worden, ze besloten om meer te gaan verdienen en minder te werken, zonder al te veel praatjes over het “algemeen belang” of, wat dat betreft, het socialisme.
In dit opzicht kon de officiële vakbondsbeweging, die het Amerikaanse proletariaat niet begreep, ook haar eigen proletariaat niet begrijpen. De jaren 60 en 70 legden het fundament om een eeuw diepe kloof tussen de Amerikaanse en Europese radicale bewegingen te overbruggen.
BWJ: Veel van je werk gaat over het postfordistische paradigma van immateriële arbeid. Toch zijn er veel linkse intellectuelen die niet geloven in de analytische waarde van het begrip ‘postfordisme’. Het zogenaamde postfordisme, zeggen ze, hangt af van oudere industriële paradigma’s, die nu uit het zicht van de westerse wereld zijn geraakt; immateriële arbeid kan niet hegemoniaal zijn op dezelfde manier als industriële arbeid dat was volgens Karl Marx. Voor jou daarentegen, is postfordisme niet alleen belangrijk, maar je definieert het zelfs als een soort ethiek, een manier van leven. Hebben die argumenten ten gunste van een meer traditioneel Marxistisch idee dan geen overtuigingskracht meer?
PV: Ik heb de term immateriële arbeid nooit gebruikt; ik vind het een twijfelachtige, theoretisch inconsequente term. Postfordisme kan zeker niet gereduceerd worden tot een serie beroepsgroepen gekenmerkt door intellectuele of creatieve eigenschappen. Het is duidelijk dat werkers in de media, onderzoekers, ingenieurs, milieutechnici, enzovoorts, een minderheid zijn en zullen blijven. Met “postfordisme” bedoel ik in plaats daarvan een set eigenschappen die de hele actuele werkende klasse kenmerken, inclusief fruitplukkers en de armste immigranten. Een paar daarvan: het vermogen tijdig te reageren op de continue innovaties in technieken en organisatiemodellen; een opmerkelijk “opportunisme” in het manoeuvreren tussen de verschillende mogelijkheden die de arbeidsmarkt biedt; bekendheid met wat mogelijk en onvoorzien is; de minimale ondernemende houding waardoor je kunt inschatten wat op een bepaald moment “the right thing to do” is in een niet-lineaire productieve fluctuatie; en ten slotte, een zekere bekendheid met netwerken van informatie en communicatie. Dat is wat ik ermee bedoel.
Het zal duidelijk zijn dat dit algemeen-menselijke vermogens zijn, en niet het resultaat van enige vorm van “specialisatie”. Ik beweer dat postfordisme alle vermogens mobiliseert die onze soort kenmerken: taal, abstract denken, leervermogen, plasticiteit, de gewoonte om geen vaste gewoontes te hebben. Als ik het heb over een “massaintellectualiteit”, dan heb ik het niet over biologen, kunstenaars, wiskundigen enzovoort, maar over het menselijke intellect in het algemeen, over het feit dat het als nooit tevoren aan het werk gezet is.
Als je nauwkeurig kijkt, maakt postfordisme gebruik van vaardigheden die je leert ruimschoots voordat je begint met werken: vaardigheden die ontstaan in de onzekerheid van het stadsleven, door ontworteling, door de schokken van technologische transformaties, en zelfs door videogames en het gebruik van mobiele telefoons. Dat alles ligt aan de basis van postfordistische “flexibiliteit”. Deze ervaringen buiten werk worden later, in het productiesysteem dat bekend staat als “just in time”, daadwerkelijke beroepsvereisten.
Het Europese denken van Nietzsche tot Heidegger beschreef het “nihilisme” van de levensvormen buiten de stringente rationaliteit van het productieproces: instabiliteit, onttovering, anonimiteit, en zo voort. Nu, in het postfordisme, is de nihilistische mentaliteit als het ware “aan het werk gegaan” - het vormt er een van de cruciale ingrediënten van. Om succesvol te werken in kantoren en fabrieken moet je bekend zijn met de situatie en het fragiele karakter van iedere toestand.
(...)
(vertaling uit Italiaans door Alessia Ricciardi. Nederlandse vertaling door Thijs Vissia voor flexmens.org.)
"Mondiale beweging gedraagt zich als een kapotte batterij"
Comments
http://www.nflnhlshop.com/